levende muziek
Naar het toneel.
We gingen donderdag naar toneel.
We moesten om 10:00 uur gaan.
Geert en Annick gingen mee.
Het was bijna drie kilometer.
Eerst gingen we langs de halve maan.
Na even stappen moesten we de straat oversteken.
We mochten niet lopen.
Toen we een stuk hadden gestapt, waren we er.
We waren te vroeg.
We hadden: "schipper mag ik over varen" gespeeld.
Toen begon het toneel.
het liedje
We hadden een liedje gehoord.
Het liedje was heel mooi.
Er was een drumstel en een keyboard.
We moesten ook met onze handen zwaaien.
Het liedje was ook een beetje grappig.
Dat was heel leuk.
Het toneel
We moesten naar de achterkant van de school.
Annick ging mee.
We hadden peulvruchten gevonden.
Geert zei: als we terugkomen,
mag je er een mee naar de klas nemen.
Dan gingen we verder.
Toen we er waren, gingen we eventjes een spelletje spelen.
Toen mochten we naar binnen.
Het toneelstuk ging over muziek en verkeer.
Toen het gedaan was, kreeg de meesters een boekje.
Dan gingen we terug naar school.
Het was superleuk.
Met mijn mama naar het toneel.
Mijn mama ging mee naar het toneel.
Ik vond het heel leuk. Dat mijn mama mee ging.
De andere kinderen vonden het ook heel leuk.
Mijn mama vond het ook heel leuk.
Het was heel grappig.
Mijn mama vond het ook heel grappig.
Het ging over muziek.
Het ging over ons project.
Ze zongen ook liedjes.
Ze fietsten.
We gingen terug naar school.
Mama zei dat we heel flink waren geweest.
Het toneel
We zijn naar het toneel geweest.
Alle kinderen van de klas gingen er naar toe.
Het was zonnig weer. We gingen te voet.
Het vorige toneel was nog bezig,
daarom moesten we nog even wachten.
We deden “kijk links recht links”
en “schipper mag ik over varen”.
Na een tijdje waren de anderen daar.
Het toneel ging over muziek en over het verkeer.
Ze zongen liedjes met levende muziek.
Zo heette de toneelgroep.
We gingen te voet terug.
Het was een leuk toneel.