woensdag 13 mei 2009

Het spel van de grote boze wolven.
Jill, Roosje, Noa en Robbe maakten met plasticine
een illustratie voor het bosspel met de grote boze wolven.
.


zwemmen
De mensen van het zwembad hadden aan Dieter
een verkeerd zwemrooster gegeven.
Deze lijst is ondertussen aangepast.
Voor de eerste graad heeft dit gelukkig
voor geen problemen gezorgd,
behalve misschien dit:
deze week gaan we
vrijdag het eerste lesuur
zwemmen.
Annick heeft zich alvast opgegeven om ons te begeleiden.
(veel ouders zijn op kamp met klas Mireille)
kampverslagen dag 2
We maakten elk een eigen instrument.
We waren net een instrumentenfabriek.
Bij elke ouder kon je
een onderdeel van het instrument maken.


Het plaatje.
Greet maakte onze namen op een plaatje.
We hadden nodig: hamer, ijzer plaatje en lettertjes.
Het was wel moeilijk want de plaatjes verschoven de hele tijd.
Na een tijd lukte het wel.
Ze moest veel namen maken: 23.
Het is gelukkig gelukt.

De snaar
We moesten naar Brit om de gitaar te maken.
We hadden een boor nodig.
We moesten rondellen aan een touwtje hangen.
Het touwtje moest door een gaatje.
Bovenaan moesten we een kleine rondel hangen aan een touw.
We moesten onder aan het touw trekken
en met je vingers gitaar spelen.

De ballon.
We hebben een instrument gemaakt.
Ik ging naar Cindy om een ballon aan mijn blik te doen.
Cindy hielp mij.

Het blokje zagen.
Ik ging naar Isabelle.
Roosje was nog bezig.
Na Roosje mocht ik.
Het zag er gemakkelijk uit maar dat was niet.

Schudertjes maken.
We hadden schroefjes.
We moeste schijfjes rond de schroeven draaien.
Eerst een grote dan een kleinetje.
Zo verder blijven doen tot dat je 4 van elk hebt.
Dan deden we met een schroevendraaier
het schuddertje in het blokje hout.
Brit hielp ons.

De gaatjes.
We moesten in het rijtje wachten.
Toen ik aan de beurt was.
Boorde Wannes gaatjes in mijn plank.
Ik ging helpen.
Ik hield de plank tegen.
kampverslagen dag 2
We maakten een avontuurlijke tocht.
We kwamen heel wat gekke figuren tegen.
De twee zusjes.
Toen we de twee zusjes vonden,
waren ze aan het ruzie maken.
Dat was grappig.
De zusjes waren geel en oranje
en ze hadden puntige oren.
Ze hadden ook eitjes in hun haren.
Toen ging er een belletje.
Dat was het signaal dat ze thee moesten drinken.
Ze hadden een mandje bij zich.
Daar in zat een doek, kopjes,
een handdoek en een theepot.
Ze hadden geen echte thee, ze deden maar alsof.
Ze vroegen of ze van hoog of van laag moesten schenken
en hoeveel klontjes suiker erin moesten.
10 klontjes zei zus, maar ze kon ze niet goed tellen.
Toen deden ze voor hoe dat we alles moesten opruimen.
Toen gingen we weer verder.
Onderweg ging een zus lopen van de andere zus.
Dat vond de andere zus niet fijn.
Toen we de schat gevonden hadden,
mochten de kinderen een stukje cake van de zusjes.

De bosgeest.
We hadden de koningin en de zusjes al gevonden.
We stapten door het bos.
Toen hoorden we iets.
Iemand riep toen: je kunt me toch niet pakken nij nij nijnij nij.
Na heel hard lopen, hadden we haar gepakt.
Ze zei dat ze een stuk van de kaart had.
We moesten eerst opdrachten doen.
Het waren 2 op drachten.
We moesten iets met woorden doen.
Het was leuk.
We hadden ook een kaart gevonden
daar stond iets op over ballonen .
We moesten de ballonen zoeken .
Het was spanend de bosgeest had rare dingen aan zoals:
paardrijlaarzen, oranje haren en helemaal in het groen gekleed.

De koningin
We moesten de koningin zoeken.
Het was moeilijk in het bos.
Maar wij hadden de koningin gevonden.


De ridder.
We waren aan het stappen.
Toen zagen we een ridder.
We gingen naar de ridder.
Toen we bij de ridder waren, zei de ridder: jullie moeten als legermannen jullie rechterhand tegen jullie voorhoofd houden.
Dat deden we.
Daarna gingen we met de ridder een kompas maken.
We moesten een rietje zo lang als een naald knippen.
We moesten de naald tegen een grote magneet wrijven.
Dan moesten we de naald in een potje met water steken.
Dat potje moesten we op het kompas zetten.
De ridder draaide met de magneet rond het potje

met water om te zien waar het noorden was.
Wij moesten de weg naar het oosten nemen.
Toen wisten we waar de weg was en we gingen weg.


De schat
We moesten de schat gaan zoeken.
We moesten gaan wandelen.
Diep in het bos.
Toen kwamen we een pad tegen.
Een pad om op te wandelen.
Daar zagen we een bankje.
Toen keken we onder het bankje
Er lag geen schat onder het bankje.
Toen keken we verder in het bos.
Toen zagen we nog een bankje.
Toen keken we daar onder maar daar lag ook geen schat onder verstopt.
Toen gingen we weer verder stappen.
Toen zagen we nog een bankje.
Dat was het derde bankje.
Toen keken we daar onder.
O ja, daar was een schat verstopt.
Wat waren we blij.
Toen deed Geert de schatkist open.
Het lag vol snoep:
cake, ferrero roche en chocolade centen.
Het leek een kist met goud.
Lekker goud.
kampverslagen dag 1
Het koken
We gingen naar een tafel.
Toen kregen we wortels.
Toen begonnen we met te raspen.
Jarne, Vic, Matijs, Michiel, Fien
en Sien hadden al een wortel geraspt.
Er waren drie zakken.
In elk zakje zaten zes wortels.
Toen begonnen we aan ons tweede wortel.
Toen begonnen we aan onze derde wortel.
Toen waren de wortels op.
Toen moesten we de wortels aan Elke geven.
Toen mochten we gaan spelen.

blad-steen-schaar.
We moesten in 2 groepen gaan staan achter een balk.
Eerst moesten de 2 eerste gaan lopen.
Als ze elkaar tegen kwamen, moesten ze blad-steen-schaar doen.
Wie gewonnen was, mocht verder gaan.
Opeens begon het hard te regenen.
Dus moesten we naar binnen.
Dat was niet zo fijn.

Het spel
Als het kamp klaar was, speelden we een spel.
Het spel was moeilijk.
We moesten ons in twee groepen verdelen.
De ene groep moest aanvallen.
De anderen moesten de bal van de
groep die in het kamp zit af pakken.

Het spel begon.
Iedereen vond het spel leuk
Mathijs was in ons kamp gegaan.
Isabelle zei dat we op de bal moesten gaan zitten.
Lies en Fien waren helemaal van onder.
Dat deed pijn want de grond was hard.
Er waren veel die zich pijn gedaan hadden.
Maar de groep die aan moest vallen, had de bal van ons niet afgepakt.
Toen waren we terug uit het bos gegaan.

We speelden blad-steen-schaar.
Toen waren we naar binnen gegaan.

Het koken.
Geert verdeelde ons in groepjes.
Het groepje dat op het bord was geschreven
moest oefenen voor het forum.
Ik moest koken.
We hadden veel kookouders.
Ik zat bij Cindy in de groep.
Het was leuk.
We hadden fruitspiesjes gemaakt.
Je had nodig: banaan, appelsien, aardbeien,
appels, ananas, druiven en stokjes.
We sneden al het fruit in stukjes.
We prikten het fruit op het stokje.
Dan zetten we de fruitstokjes op een schotel
en we zijn klaar
Het was lekker eten.
Ik vond het lekker.

Het slapen op kamp.
De ouders kwamen ons roepen dat we ons moesten douchen.
Sommige mochten hun aan de kraan wassen.
Als we ons gedoucht hadden,
moesten we onze tanden poetsen en de pyjama aan doen.
We moesten gaan slapen.
Sien sliep op de grond.
Ik moest een beetje wenen maar dat ging meteen voorbij.
Toen deden ze het licht uit.
Annick bleef kijken of niemand babbelde.
Dat was niet zo fijn.
Toen iedereen aan het slapen was, gingen de ouders slapen.
Ik heb goed geslapen.
Toen het ochtend was, hoorden we de jongens al.
Toen gingen we ons omkleden.

Dankjewel ouders.

De fietstocht
We gingen een fietstocht maken.
We hadden een berg opgefietst.
Jarne was gestopt omdat zijn fiets
niet in het zand kon rijden.
Hij liet Michiel en Vic laten botsen.
Toen gingen we weer verder.
Toen reden we door een wei.

De wandeling
We kwamen op kamp aan.
Eerst parkeerden we onze fietsen.
Dan zei Geert dat we een wandeling gingen maken.
We vertrokken.
Eerst gingen we voorbij een treinspoor.
Toen we een stuk verder waren,
waren we bij de Hezerheide.
We keken er allemaal naar.
Na een tijd waren we terug.

Het kamp in het bos.
We gingen stokken zoeken.
Ik nam altijd de grootste takken.
We hadden ook een tuin gemaakt.
Het was prachtig, echt prachtig.

Naar het kamp.
We gaan vertrekken naar het kamp.
Ik mocht op de fiets van mijn broer.
Dat vond ik heel leuk.
Toen gingen we door de stenen rijden.
Die waren een beetje moeilijk om door te rijden.
Maar daarna waren het kleine steentjes.
Die waren niet moeilijk.

De Hezerheide
We zijn aangekomen.
Gunther en Cindy moesten nog even alles checken.
Daarom gingen we nog even rond de Hezerheide.
We stappen naar de Hezerheide.
We gaan rond de Hezerheide wandelen.
De Hezerheide in een landschap zonder bomen
maar met gras en kleine stuikjes.
Er was kleefkruid.
Er waren ook koeien.
De Hezerheide was heel mooi.
We stappen terug naar het kamp.

het verhaal van vos en haas
Toen de meisjes in de jongenskamer kwamen,
ging Geert voorlezen.
Het ging over vos en haas.

Vos en haas gingen op een vakantie.
Vos was heel erg moe want ze moesten met een trein,
met het vliegtuig en met de boot.
Haas was klaar wakker.
Haas zei tegen vos:
het was jou idee dat we op vakantie gingen.
Vos zei: ik ga zwemmen.
Haas ging zonnen en vos zwemmen.
Dan ging hij terug naar haas.
Haas had een zonnesteek.

De meisjes zaten op de bedden van de jongens.
De jongens zaten of lagen ook op de bedden
Het was een leuk verhaaltje, grappig en mooi.
Toen moesten we gaan slapen.
De meisjes gingen terug naar de meisjeskamer.

De fietstocht naar kamp
We zijn naar ons kamp geweest.
Toen we op school waren,
gingen we eerst in de kring zitten want het regende.
Toen het een beetje minder aan het regenen was,
gingen we vertrekken.
We vertrekken met de fiets.
Ik was mijn rugzak vergeten.
Ze gingen mijn rugzak zoeken.
Na een paar minuten hadden ze mijn rugzak teruggevonden.
We gingen verder.
We moeten 10 kilometer fietsen.
We moeten over kiezeltjes fietsen.
Dat was moeilijker.
Na de kiezeltjes reden we langs en treinspoor.
Na het treinspoor gingen we op een steile berg.
Dat was heel moeilijk.
Toen we de berg op waren, was er bergaf.
Na de bergaf waren we terug op een gewone platte weg aan het fietsen.
We waren er al bijna.
We moesten nog 1 kilometer.
Ik was al moe.
We moesten een stukje in het bos.
Toen we uit het bos waren, moesten we nog een beetje fietsen.

Het kamp in het bos
We gingen stokken zoeken.
Ik nam altijd de grootste takken.
We hadden ook een tuin gemaakt.
Het was prachtig echt prachtig.
kampverslagen
De kinderen hebben de voorbije week al heel wat verslagen gemaakt
over de verschillende kampactiviteiten.
Volgende week zullen we deze teksten verzamelen
en er een krantje van maken.
Dit zijn enkele verslagen van de leerlingen van het eerste leerjaar:
Mijn mama is mee geweest.
Ik vond het leuk dat we op kamp waren.

Het fietsen
Ik vond het leuk dat mijn mama was gekomen bij het fietsen.
Toen we er waren, moesten we onze schoenen uit doen.
We moesten naar boven gaan.
Toen moesten we onze valiezen uitpakken.

We gingen op kamp.
We fietsten naar het kamp.
Toen waren we aangekomen.
We gingen naar boven.
Maar eerst moesten we de valies pakken.

Op kamp
De eerste dag op kamp.
We gaan naar het kamp met de fiets.
We waren er.
We gaan een kamp maken, in het bos.
Nu mogen we gaan fietsen.
Nu was het eten.
Nu moeten we gaan slapen.
We mochten nog opblijven.
Nu ging Geert nog een verhaaltje voorlezen.
Nu moesten we gaan slapen.
De eerste dag was gedaan.
De dag is gedaan.

Het kamp
We hebben een kamp gemaakt.
Het was fijn.
Toen moesten we gaan slapen.

Op kamp.
We waren vertrokken naar het kamp met de fiets op de straat.
Toen we weg waren, kwamen we aan een bergaf met de fiets.
Toen moesten we op stenen rijden.
Toen kwamen we een steile berg tegen.
We moesten afstappen.
Toen moesten we bergaf.

In het bos.
We maakten een kamp.
Toen speelden we een spel met een bal.
Iedereen had een kamp.
Toen had ik een beetje bang.

Een groep ging koken en een groep ging oefenen.