zondag 31 mei 2009
zaterdag 30 mei 2009
donderdag 28 mei 2009
In onze klas is het feest
Er is een feestbeest ze heet Fien
Ik zeg soms Fienewien
Het is niet in de klas maar eigenlijk in de zaal
En onze meester is een beetje kaal
Het is leuk want ik lig in een deuk
Het is hier heel groot maar helemaal niet rood
We gingen met de tuinvriend onkruid trekken.
Anais, Marieke, Jill en Robbe gingen samen
Eerst gingen we kijken of dat er handschoenen waren.
Caroline zei nee.
Annick was de tuinvriend.
We moesten eerst naar het containerpark
Anaïs en Marieke mochten een gieter halen.
Jill, Robbe en Annick begonnen al.
Anaïs en Marieke hadden een gieter gevonden.
We deden er water in.
Toen gingen we naar de kruidentuin.
Om de salie water te geven.
Toen we het hadden gedaan gingen we onkruid treken.
We hadden genoeg tijd.
Toen de tijd om was gingen we het gereedschap terug leggen.
Daarna gingen we onze handen wassen.
Daarna gingen we terug naar de klas.
woensdag 27 mei 2009
Elsie had salie meegenomen naar school.
Anaïs en Elsie moesten de salie planten .
Toen ging Anais in het containerpark een schop halen .
We gingen in het kruidentuintje de salie planten.
Toen vroeg Elif aan Anaïs: Anaïs kom je mee lezen?
Ja ik ga mee zei Anaïs.
Ik plant de salie.
Het slapen gaan.
We moesten gaan slapen.
Maar Alixe en Kyana babbelden de hele tijd.
Dat was niet zo fijn.
Gelukkig was er een juf bij.
De juf zei: als jullie nu niet stil zijn leg ik jullie uit elkaar.
Maar ze babbelden nog.
Toen heeft de juf ze uit elkaar gelegd.
Toen kwam Nicky zeggen dat de jongens nog honger hadden .
Hij ging eens kijken of er iets was om te eten.
Maar er was niets.
Toen moest Alixe naar de wc.
Toen moest plots iedereen naar de wc.
Ze moesten in een rijtje gaan staan.
Ze moesten per twee naar de wc gaan.
Toen was iedereen klaar.
Na een tijd was iedereen in slaap gevallen.
’s Nachts waren Miek en Elsie veel gestoken door muggen.
Miek haar gezicht stond vol met muggenbeten.
Ook haar lip was gestoken en ook op haar oog.
Bij Elsie was ook haar oog gestoken.
Alixe en Kyana waren al wakker.
Ze mochten nog niet naar binnen want
het eten was nog niet klaar.
Maar Alixe was weeral aan het babbelen.
Daardoor werd iedereen wakker.
Toen werd de juf boos want iedereen was aan het babbelen.
Toen moesten Angel, Roosje en Marieke naar de wc.
Ondertussen was iedereen stil.
Toen kwamen Angel, Roosje en Marieke terug .
Toen ze terug waren, was iedereen terug aan het babbelen.
Toen kwam een juf bij ons zitten.
Van haar mochten we fluisteren.
Toen kwam Nicky zeggen dat we niks mochten zeggen.
Toen de juf weer: dat kan je toch niet maken.
Toen zei Nicky jawel.
Maar gelukkik mochten we ons toen gaan aankleden.
maandag 25 mei 2009






zondag 24 mei 2009
zaterdag 16 mei 2009
organiseren de leerlingen van KTA2 een
kennismakingsspel
voor de derde kleuterklas en de eerste graad
om de sleep-in voor te bereiden.
Toen had ik een glaasje fruitsap gekocht.
Daarna had ik nog een beetje gefietst op de gekke fietsen.
Daarna ben ik in de vrachtwagen geweest.
Dan heb ik een pannenkoek gegeten.
Dan had ik nog een beetje gefietst op mijn eigen fiets.
Dan had ik nog een fruitsapje gehaald.
Dat was fijn.
Het fietsparcours.
Eerst moesten we tussen bomen rijden.
Dan moest je door het zand rijden.
Dat was moeilijk.
Toen moesten we op een jump rijden.
Daarna moesten we op een wipwap gaan.
Op het einde moesten we op een boebelberg rijden.
Dat was heel leuk.
Dan moesten we weer door veel zand.
Dat was het einde van het parcours.
Pannenkoeken.
Je moest lang aan schuiven voor een pannenkoek.
Maar toen ik een pannenkoek kreeg,
mocht ik er suiker opdoen of confituur.
Ik heb er lichtbruine suiker bij gedaan.
De pannenkoek was heel lekker.
donderdag 14 mei 2009
We mochten werken in het tuintje
Ik was milieuverantwoordelijke.
Ik mocht mee gaan.
Michiel, Bazel, Jarne en Kamiel waren meegegaan.
Onze tuinvriend was er niet.
We mochten wel gaan werken in het tuintje.
Geert zei wat we moesten doen .
We moesten het onkruid tussen de krulandijvie uittrekken .
Het was leuk.
We mochten mee met de tuinvriend.
Eerst moesten we de slechte grond uitstrooien.
Dat mochten Vic, Noa en Joydie doen.
Miek mocht een rabarberplant water geven.
Eerst moest ze een gieter gaan halen en daar in water doen.
Maar de kraan was bijna kapot.
Het is gelukkig gelukt.
Toen mocht iedereen zaadjes planten.
Vic maakte de gaatjes en Miek deed de zaadjes er in.
Noa en Joydie mochten de andere kant doen.
Toen was het klaar.
We mochten helpen bij de tweede graad.
We mochten stokjes in de grond steken.
Toen waren we klaar en tijd was net om.
Toen moesten we naar de klas.
Sommigen waren nog aan het lezen bij de kleuters.
Toen kwamen ze ook.
woensdag 13 mei 2009
Het plaatje.
Greet maakte onze namen op een plaatje.
We hadden nodig: hamer, ijzer plaatje en lettertjes.
Het was wel moeilijk want de plaatjes verschoven de hele tijd.
Na een tijd lukte het wel.
Ze moest veel namen maken: 23.
Het is gelukkig gelukt.
De snaar
We moesten naar Brit om de gitaar te maken.
We hadden een boor nodig.
We moesten rondellen aan een touwtje hangen.
Het touwtje moest door een gaatje.
Bovenaan moesten we een kleine rondel hangen aan een touw.
We moesten onder aan het touw trekken
De ballon.
We hebben een instrument gemaakt.
Ik ging naar Cindy om een ballon aan mijn blik te doen.
Cindy hielp mij.
Het blokje zagen.
Ik ging naar Isabelle.
Roosje was nog bezig.
Na Roosje mocht ik.
Het zag er gemakkelijk uit maar dat was niet.
Schudertjes maken.
We hadden schroefjes.
We moeste schijfjes rond de schroeven draaien.
Eerst een grote dan een kleinetje.
Zo verder blijven doen tot dat je 4 van elk hebt.
Dan deden we met een schroevendraaier
Brit hielp ons.
De gaatjes.
We moesten in het rijtje wachten.
Toen ik aan de beurt was.
Boorde Wannes gaatjes in mijn plank.
Ik ging helpen.
Ik hield de plank tegen.
Toen we de twee zusjes vonden,
waren ze aan het ruzie maken.
Dat was grappig.
De zusjes waren geel en oranje
Ze hadden ook eitjes in hun haren.
Toen ging er een belletje.
Dat was het signaal dat ze thee moesten drinken.
Ze hadden een mandje bij zich.
Daar in zat een doek, kopjes,
Ze hadden geen echte thee, ze deden maar alsof.
Ze vroegen of ze van hoog of van laag moesten schenken
10 klontjes zei zus, maar ze kon ze niet goed tellen.
Toen deden ze voor hoe dat we alles moesten opruimen.
Toen gingen we weer verder.
Onderweg ging een zus lopen van de andere zus.
Dat vond de andere zus niet fijn.
Toen we de schat gevonden hadden,
mochten de kinderen een stukje cake van de zusjes.
De bosgeest.
We hadden de koningin en de zusjes al gevonden.
We stapten door het bos.
Toen hoorden we iets.
Iemand riep toen: je kunt me toch niet pakken nij nij nijnij nij.
Na heel hard lopen, hadden we haar gepakt.
Ze zei dat ze een stuk van de kaart had.
We moesten eerst opdrachten doen.
Het waren 2 op drachten.
We moesten iets met woorden doen.
Het was leuk.
We hadden ook een kaart gevonden
We moesten de ballonen zoeken .
Het was spanend de bosgeest had rare dingen aan zoals:
paardrijlaarzen, oranje haren en helemaal in het groen gekleed.
De koningin
We moesten de koningin zoeken.
Het was moeilijk in het bos.
Maar wij hadden de koningin gevonden.
De ridder.
We waren aan het stappen.
Toen zagen we een ridder.
We gingen naar de ridder.
Toen we bij de ridder waren, zei de ridder: jullie moeten als legermannen jullie rechterhand tegen jullie voorhoofd houden.
Dat deden we.
Daarna gingen we met de ridder een kompas maken.
We moesten een rietje zo lang als een naald knippen.
We moesten de naald tegen een grote magneet wrijven.
Dan moesten we de naald in een potje met water steken.
Dat potje moesten we op het kompas zetten.
De ridder draaide met de magneet rond het potje
met water om te zien waar het noorden was.
Wij moesten de weg naar het oosten nemen.
Toen wisten we waar de weg was en we gingen weg.
De schat
We moesten de schat gaan zoeken.
We moesten gaan wandelen.
Diep in het bos.
Toen kwamen we een pad tegen.
Een pad om op te wandelen.
Daar zagen we een bankje.
Toen keken we onder het bankje
Er lag geen schat onder het bankje.
Toen keken we verder in het bos.
Toen zagen we nog een bankje.
Toen keken we daar onder maar daar lag ook geen schat onder verstopt.
Toen gingen we weer verder stappen.
Toen zagen we nog een bankje.
Dat was het derde bankje.
Toen keken we daar onder.
O ja, daar was een schat verstopt.
Wat waren we blij.
Toen deed Geert de schatkist open.
Het lag vol snoep:
cake, ferrero roche en chocolade centen.
Het leek een kist met goud.
Lekker goud.
We gingen naar een tafel.
Toen kregen we wortels.
Toen begonnen we met te raspen.
Jarne, Vic, Matijs, Michiel, Fien
en Sien hadden al een wortel geraspt.
Er waren drie zakken.
In elk zakje zaten zes wortels.
Toen begonnen we aan ons tweede wortel.
Toen begonnen we aan onze derde wortel.
Toen waren de wortels op.
Toen moesten we de wortels aan Elke geven.
Toen mochten we gaan spelen.
blad-steen-schaar.
We moesten in 2 groepen gaan staan achter een balk.
Eerst moesten de 2 eerste gaan lopen.
Als ze elkaar tegen kwamen, moesten ze blad-steen-schaar doen.
Wie gewonnen was, mocht verder gaan.
Opeens begon het hard te regenen.
Dus moesten we naar binnen.
Dat was niet zo fijn.
Het spel
Als het kamp klaar was, speelden we een spel.
Het spel was moeilijk.
We moesten ons in twee groepen verdelen.
De ene groep moest aanvallen.
De anderen moesten de bal van de
Het spel begon.
Iedereen vond het spel leuk
Mathijs was in ons kamp gegaan.
Isabelle zei dat we op de bal moesten gaan zitten.
Lies en Fien waren helemaal van onder.
Dat deed pijn want de grond was hard.
Er waren veel die zich pijn gedaan hadden.
Maar de groep die aan moest vallen, had de bal van ons niet afgepakt.
Toen waren we terug uit het bos gegaan.
We speelden blad-steen-schaar.
Toen waren we naar binnen gegaan.
Het koken.
Geert verdeelde ons in groepjes.
Het groepje dat op het bord was geschreven
Ik moest koken.
We hadden veel kookouders.
Ik zat bij Cindy in de groep.
Het was leuk.
We hadden fruitspiesjes gemaakt.
Je had nodig: banaan, appelsien, aardbeien,
We sneden al het fruit in stukjes.
We prikten het fruit op het stokje.
Dan zetten we de fruitstokjes op een schotel
Het was lekker eten.
Ik vond het lekker.
Het slapen op kamp.
De ouders kwamen ons roepen dat we ons moesten douchen.
Sommige mochten hun aan de kraan wassen.
Als we ons gedoucht hadden,
We moesten gaan slapen.
Sien sliep op de grond.
Ik moest een beetje wenen maar dat ging meteen voorbij.
Toen deden ze het licht uit.
Annick bleef kijken of niemand babbelde.
Dat was niet zo fijn.
Toen iedereen aan het slapen was, gingen de ouders slapen.
Ik heb goed geslapen.
Toen het ochtend was, hoorden we de jongens al.
Toen gingen we ons omkleden.
Dankjewel ouders.
De fietstocht
We gingen een fietstocht maken.
We hadden een berg opgefietst.
Jarne was gestopt omdat zijn fiets
niet in het zand kon rijden.
Hij liet Michiel en Vic laten botsen.
Toen gingen we weer verder.
Toen reden we door een wei.
De wandeling
We kwamen op kamp aan.
Eerst parkeerden we onze fietsen.
Dan zei Geert dat we een wandeling gingen maken.
We vertrokken.
Eerst gingen we voorbij een treinspoor.
Toen we een stuk verder waren,
waren we bij de Hezerheide.
We keken er allemaal naar.
Na een tijd waren we terug.
Het kamp in het bos.
We gingen stokken zoeken.
Ik nam altijd de grootste takken.
We hadden ook een tuin gemaakt.
Het was prachtig, echt prachtig.
Naar het kamp.
We gaan vertrekken naar het kamp.
Ik mocht op de fiets van mijn broer.
Dat vond ik heel leuk.
Die waren een beetje moeilijk om door te rijden.
Maar daarna waren het kleine steentjes.
Die waren niet moeilijk.
De Hezerheide
We zijn aangekomen.
Gunther en Cindy moesten nog even alles checken.
Daarom gingen we nog even rond de Hezerheide.
We stappen naar de Hezerheide.
We gaan rond de Hezerheide wandelen.
De Hezerheide in een landschap zonder bomen
maar met gras en kleine stuikjes.
Er was kleefkruid.
Er waren ook koeien.
De Hezerheide was heel mooi.
We stappen terug naar het kamp.
het verhaal van vos en haas
Toen de meisjes in de jongenskamer kwamen,
Het ging over vos en haas.
Vos en haas gingen op een vakantie.
Vos was heel erg moe want ze moesten met een trein,
met het vliegtuig en met de boot.
Haas was klaar wakker.
Haas zei tegen vos:
het was jou idee dat we op vakantie gingen.
Vos zei: ik ga zwemmen.
Haas ging zonnen en vos zwemmen.
Dan ging hij terug naar haas.
Haas had een zonnesteek.
De meisjes zaten op de bedden van de jongens.
De jongens zaten of lagen ook op de bedden
Het was een leuk verhaaltje, grappig en mooi.
Toen moesten we gaan slapen.
De meisjes gingen terug naar de meisjeskamer.
De fietstocht naar kamp
We zijn naar ons kamp geweest.
Toen we op school waren,
gingen we eerst in de kring zitten want het regende.
Toen het een beetje minder aan het regenen was,
gingen we vertrekken.
We vertrekken met de fiets.
Ik was mijn rugzak vergeten.
Ze gingen mijn rugzak zoeken.
Na een paar minuten hadden ze mijn rugzak teruggevonden.
We gingen verder.
We moeten 10 kilometer fietsen.
We moeten over kiezeltjes fietsen.
Dat was moeilijker.
Na de kiezeltjes reden we langs en treinspoor.
Na het treinspoor gingen we op een steile berg.
Dat was heel moeilijk.
Toen we de berg op waren, was er bergaf.
Na de bergaf waren we terug op een gewone platte weg aan het fietsen.
We waren er al bijna.
We moesten nog 1 kilometer.
Ik was al moe.
We moesten een stukje in het bos.
Toen we uit het bos waren, moesten we nog een beetje fietsen.
Het kamp in het bos
We gingen stokken zoeken.
Ik nam altijd de grootste takken.
We hadden ook een tuin gemaakt.
Het was prachtig echt prachtig.
Ik vond het leuk dat we op kamp waren.
Het fietsen
Ik vond het leuk dat mijn mama was gekomen bij het fietsen.
Toen we er waren, moesten we onze schoenen uit doen.
We moesten naar boven gaan.
Toen moesten we onze valiezen uitpakken.
We gingen op kamp.
We fietsten naar het kamp.
Toen waren we aangekomen.
We gingen naar boven.
Maar eerst moesten we de valies pakken.
Op kamp
De eerste dag op kamp.
We gaan naar het kamp met de fiets.
We waren er.
We gaan een kamp maken, in het bos.
Nu mogen we gaan fietsen.
Nu was het eten.
Nu moeten we gaan slapen.
We mochten nog opblijven.
Nu ging Geert nog een verhaaltje voorlezen.
Nu moesten we gaan slapen.
De eerste dag was gedaan.
De dag is gedaan.
Het kamp
We hebben een kamp gemaakt.
Het was fijn.
Toen moesten we gaan slapen.
Op kamp.
Toen we weg waren, kwamen we aan een bergaf met de fiets.
Toen moesten we op stenen rijden.
Toen kwamen we een steile berg tegen.
We moesten afstappen.
Toen moesten we bergaf.
In het bos.
We maakten een kamp.
Toen speelden we een spel met een bal.
Iedereen had een kamp.
Toen had ik een beetje bang.
Een groep ging koken en een groep ging oefenen.
