woensdag 13 mei 2009

kampverslagen dag 2
We maakten een avontuurlijke tocht.
We kwamen heel wat gekke figuren tegen.
De twee zusjes.
Toen we de twee zusjes vonden,
waren ze aan het ruzie maken.
Dat was grappig.
De zusjes waren geel en oranje
en ze hadden puntige oren.
Ze hadden ook eitjes in hun haren.
Toen ging er een belletje.
Dat was het signaal dat ze thee moesten drinken.
Ze hadden een mandje bij zich.
Daar in zat een doek, kopjes,
een handdoek en een theepot.
Ze hadden geen echte thee, ze deden maar alsof.
Ze vroegen of ze van hoog of van laag moesten schenken
en hoeveel klontjes suiker erin moesten.
10 klontjes zei zus, maar ze kon ze niet goed tellen.
Toen deden ze voor hoe dat we alles moesten opruimen.
Toen gingen we weer verder.
Onderweg ging een zus lopen van de andere zus.
Dat vond de andere zus niet fijn.
Toen we de schat gevonden hadden,
mochten de kinderen een stukje cake van de zusjes.

De bosgeest.
We hadden de koningin en de zusjes al gevonden.
We stapten door het bos.
Toen hoorden we iets.
Iemand riep toen: je kunt me toch niet pakken nij nij nijnij nij.
Na heel hard lopen, hadden we haar gepakt.
Ze zei dat ze een stuk van de kaart had.
We moesten eerst opdrachten doen.
Het waren 2 op drachten.
We moesten iets met woorden doen.
Het was leuk.
We hadden ook een kaart gevonden
daar stond iets op over ballonen .
We moesten de ballonen zoeken .
Het was spanend de bosgeest had rare dingen aan zoals:
paardrijlaarzen, oranje haren en helemaal in het groen gekleed.

De koningin
We moesten de koningin zoeken.
Het was moeilijk in het bos.
Maar wij hadden de koningin gevonden.


De ridder.
We waren aan het stappen.
Toen zagen we een ridder.
We gingen naar de ridder.
Toen we bij de ridder waren, zei de ridder: jullie moeten als legermannen jullie rechterhand tegen jullie voorhoofd houden.
Dat deden we.
Daarna gingen we met de ridder een kompas maken.
We moesten een rietje zo lang als een naald knippen.
We moesten de naald tegen een grote magneet wrijven.
Dan moesten we de naald in een potje met water steken.
Dat potje moesten we op het kompas zetten.
De ridder draaide met de magneet rond het potje

met water om te zien waar het noorden was.
Wij moesten de weg naar het oosten nemen.
Toen wisten we waar de weg was en we gingen weg.


De schat
We moesten de schat gaan zoeken.
We moesten gaan wandelen.
Diep in het bos.
Toen kwamen we een pad tegen.
Een pad om op te wandelen.
Daar zagen we een bankje.
Toen keken we onder het bankje
Er lag geen schat onder het bankje.
Toen keken we verder in het bos.
Toen zagen we nog een bankje.
Toen keken we daar onder maar daar lag ook geen schat onder verstopt.
Toen gingen we weer verder stappen.
Toen zagen we nog een bankje.
Dat was het derde bankje.
Toen keken we daar onder.
O ja, daar was een schat verstopt.
Wat waren we blij.
Toen deed Geert de schatkist open.
Het lag vol snoep:
cake, ferrero roche en chocolade centen.
Het leek een kist met goud.
Lekker goud.

0 reacties:

Een reactie posten